De verbreiding van de soort, de onderbouwing van territoriale claims.
Herman van der Wusten
Colin Thubron, vooraanstaand lid van het selecte gezelschap van meester-reisverhalen schrijvers (in zijn geval vooral over Azië, denk ook aan Naipaul en Theroux) doet in de New York Review of Books van 12 mei 2011 verslag van een intrigerende museumkwestie (The secret of the mummies, pp. 17-18).
Het afgelopen jaar reisde langs musea in Santa Ana (Californië), Houston en Philadelphia een tentoonstelling met originele stukken uit Chinees bezit afkomstig uit Xinjiang, de autonome regio in het uiterste Noordwesten van China waar de Oeigoeren leven. Dit is pas na de tweede wereldoorlog Chinees grondgebied geworden. De moslimse Oeigoeren verzetten zich nog steeds tegen het Chinese bestuur en de toenemende instroom van etnische Chinezen in hun traditionele woongebied. De tentoonstelling heeft betrekking op oude beschavingen van duizenden jaren her die hier langs de oude zijderoute verblijf hebben gehouden. In het zuidelijke woestijnachtige gebied zijn de resten van die beschavingen bijzonder goed bewaard. Het gaat om gemummificeerde menselijke resten, kleding, etenswaren en gebruiksvoorwerpen. DNA-onderzoek, maar ook de versieringen op kleding geven aan dat hier sprake is van beschavingen die hun oorsprong aan de randen van Europa hebben en die door oostwaartse verbreiding langs de tracés van de latere zijderoute hun bestemming in Xinjiang hebben bereikt. Dit speelt zich af voor de algemene trek westwaarts die de Mongolen naar Europa brachten. Subtext: een stuk ‘China’ is’eigenlijk’, ‘oorspronkelijk’, ‘Europees’.
De fascinerende reconstructie van deze beschaving op grond van archeologische studie brengt weer een stukje helderheid in de manier waarop de menselijke soort zich over de aarde verspreid heeft. Maar tegelijk compliceert dit verhaal de schildering van het verleden die Chinezen en Oeigoeren van elkaar scheiden. De Oeigoeren neigen er toe de oude beschavingen als de oorsprong van de hunne te beschouwen. Maar het ziet er naar uit dat zij meer de nakomelingen van een latere instroom van migranten zijn die pas rond de negende eeuw na de aanvang van onze jaartelling zou hebben plaats gevonden. De Chinezen hadden hun rijk in die tijd al eens tot en met deze streken uitgebreid, maar ook zij zijn enigszins verward door de duidelijk Europese trekken die de nu hervonden archeologische resten tonen.
De overeenkomst tussen de Chinezen en de museumdirecteuren om de stukken in Amerika tentoon te stellen zou in eerste instantie gesloten zijn met de regionale Chinese autoriteiten in Xinjiang. Maar de Beijingse bureaucraten die in China over het culturele erfgoed gaan zouden minder enthousiast zijn geweest. Na de tentoonstellingen in Californie en Houston was de beurt aan Philadelphia, maar daar liep het mis. De Chinezen gelastten de terugkeer van de mummies en de rest van de stukken. Behalve de ondoorgrondelijke bureaupolitiek tussen regio en hoofdstad kan er nog een reden voor de afgelasting in Philadelphia zijn. Men heeft daar in de permanente expositie twee van zes unieke kalkstenen bas-reliefs van de strijdrossen die de Chinese keizer in de zevende eeuw bereed, onder andere tijdens zijn overwinningen in Xinjiang. De stukken verdwenen tijdens de onrust in het eerste deel van de twintigste eeuw naar Amerika. De Chinezen willen ze minstens lenen, maar de Amerikanen hebben daar niet in toegestemd, bang dat ze niet terugkomen. Het is heel wel mogelijk dat de afgelasting van de tentoonstelling in Philadelphia Chinees ongenoegen in deze uitdrukt.
Hoe dan ook, de voortgaande reconstructie van de verbreiding van de menselijke soort over de aarde leidt niet alleen tot een verbeterd geschiedbeeld, zo’n reconstructie herschikt ook steeds opnieuw de argumenten waarmee collectieve herinneringen en territoriale claims onderbouwd worden.